Ik voelde me als een teer junglebloempje

vrijdag, 19 september 2008 - Biff | Geploeter

Toen mijn onwaarschijnlijk daadkrachtige neef en zaakwaarnemer Jebb Johansson mijn woning verlaten had, leek het wel alsof er een orkaan door mijn bewustzijn was geraasd.
Versuft door alle opgedane indrukken had hij me achtergelaten om geruime tijd glazig voor me uit te kijken, ruimte en tijd negerend wegens totale overbelasting van mijn overgevoelige hersenen .
Pas na een uur of wat voelde ik me als een teer junglebloempje dat heel voorzichtig weer de tengere bloemblaadjes opent na urenlang te zijn gegeseld door hevige tropische moessonregens en de wereld om zich heen nog niet goed weet te vertrouwen.
Heel langzaam kwamen mijn sufgebeukte hersenfuncties weer enigszins op gang om na een rustige start onmiddellijk door te schakelen naar de hoogste versnelling. Het drong namelijk ineens tot me door dat ik Jebb was vergeten te vragen hoe al die bami mijn huis binnengebracht zou worden. Het kwam mij plotseling voor dat dit onderdeel van de bezorging niet was meegenomen in de uitwerking van het grote plan, en het inruimen van een hele pallet bami in mijn woning zou beslist geen sinecure blijken, stelde ik me zo voor.

Ik werd in gijzeling genomen door een buitengewoon paniekerig gevoel maar wist toch mijn kalmte te bewaren. Goede raad was duur, dus ik trad met mezelf in conclaaf om na ampel beraad tot de conclusie te komen dat de beste oplossing hieruit zou bestaan dat ik Jebb even zou bellen. Dat was eigenlijk wel simpel dacht ik bij mezelf en de ergste paniek vloeide weg uit mijn danig overbelaste systeem, waardoor ook mijn ademhaling weer wat rustiger werd en mijn hartslag enigszins daalde.
Met zweterige handen drukte ik op de voorkeurtoets die mijn neef voor me had ingesteld. Nadat de beltoon enkele malen had geklonken kreeg ik zijn voicemail. Ik heb een boodschap ingesproken met de vraag of hij me even wilde terugbellen en dat het een kwestie van de allerhoogste urgentie betrof die wat mij betreft helemaal bovenaan de prioriteitenlijst stond, maar zelfs na een paar uur wachten kwam er nog steeds geen enkel teken van leven.
Ik werd heel erg bezorgd en begon langzaam te begrijpen wat er aan de hand moest zijn. Hij zat natuurlijk in een Indiaas restaurant met zijn nieuwe vriendin om zich schaamteloos vol te proppen met de lamscurry waarover hij zo smachtend had gesproken toen hij bij me was, om na die onbetamelijke schranspartij met haar mee te gaan, om zich over te geven aan een van zijn erotische exercities waar hij nog wel eens over opschept. Als je zijn verhalen mag geloven kan hij zich urenlang op onvermoeibare wijze overgeven aan het bedrijven van de liefde en ook zijn ex Carla heb ik wel eens horen zuchten als het ging over zijn onvoorstelbare uithoudingsvermogen. Ze had me wel eens het woord ‘sexmaniak’ ingefluisterd toen we een keer een vertrouwelijk gesprek hadden over haar huwelijk, waarbij ze me ongegeneerd uit de doeken deed hoezeer ze kon walgen als hij weer eens geen genoeg kon krijgen van zijn bestiale aandrang en hele nachten door wilde gaan met zijn onophoudelijke strelingen en ronduit bronstig gedrag. ‘Het is een beest en er lijkt maar geen einde te komen aan zijn tomeloze geslachtsdsrift’, had ze me in een openhartige bui toevertrouwd toen het haar allemaal teveel was geworden, waarna ze radeloos begon te huilen, mij een zeer ongemakkelijk gevoel bezorgend, want ik was niet voorbereid geweest op zulke intieme inkijkjes in het leven van mijn neef en zijn vrouw.

Dit alles overdenkend kon ik niet anders dan tot de conclusie komen dat Jebb de hele avond en nacht bezet zou zijn en zich onbereikbaar hield om zijn lusten op uitgebreide wijze te kunnen botvieren op Mara, die het waarschijnlijk nog opwindend zou vinden ook, want ik heb gehoord dat er vrouwen bestaan het aangenaam vinden om kennis te hebben aan een viriele man als Jebb, die qua seksuele prestaties een prijs uit de loterij lijkt te zijn voor sommige onverzadigbare dames.
Ik begon me dus enorm op te vreten over die pallet bami en verviel in diep zorgelijk gepieker. Bij nadere inspectie van mijn digitale klok bleek het al tegen achten te lopen. Gekweld door alle zorgen was ik helemaal vergeten te eten. De lust tot voedselinname was me een beetje vergaan, maar ik heb toch maar een portie bami genomen. Ervan genieten lukte me echter niet en ik heb alleen maar een beetje werktuiglijk zitten kauwen. Van de zenuwen en opgelopen spanning was ik bijna niet in staat om op fatsoenlijke wijze te slikken en het voedsel mijn spijsverteringskanaal in te laten glijden.
Na een half blik heb ik het dan ook maar opgegeven, het ging gewoon niet meer. Ik voelde me als een Franse gans, die met behulp van een trechter door een wreed grijnzende boer is volgeperst met hoogcalorisch voedsel, waarna het dier is losgelaten en machteloos omvalt om slechts roerloos te kunnen blijven liggen omdat het tot geen enkele beweging meer in staat is en zich alleen nog maar tot kotsens toe volgevreten voelt, en wordt achtergelaten met een beurse keel, wachtend op de naderende slacht die in het nabije verschiet ligt.
Ik hield het verder maar voor gezien en heb de klamme lappen opgezocht, waar ik nog lang heb liggen woelen en zweten, onrustig dromend over monsterlijk grote bamiblikken die mij verpletterden als enorme pletwalsen zoals die gebruikt worden in de staalindustrie.

Omdat de slaap zo moeilijk op gang kwam werd ik in de ochtend juist weer erg moeizaam wakker. Ik was nog enorm versuft toen ik een verschrikkelijk luid getoeter hoorde.
Het was zo een ontluisterend kabaal dat het wel leek of er een gigantische vrachtwagen pal bij mij voor mij deur stond te toeteren. Ik schudde mijn hoofd om het afschuwelijke lawaai uit mijn droom te kunnen verjagen maar daarin faalde ik jammerlijk. Het getoeter ging gewoon door, tot ik me realiseerde dat er echt een vrachtwagen in de straat stond. Mijn bami was gearriveerd!
Slaperig ben ik in mijn pyjama naar de deur gelopen om de confrontatie met de buitenwereld aan te gaan. De chauffeur was al uit zijn cabine gekropen om de laadklep van zijn trailer te openen en er met een pompwagentje een gigantische blokpallet bami op te rijden.
De grootte van de pallet overrompelde me. Hij was veel groter als ik hem me had voorgesteld en voordat de enorme omvang goed tot me doordrong stond de pallet al op de stoep en blokkeerde bijna heel mijn deur, waardoor er nog net een spleet openbleef om me doorheen te wurmen. ‘Wilt u hier even tekenen voor ontvangst meneer Johansson.?’
De stoere vrachtwagenchauffeur in houthakkersshirt hield mij een pen en klembord voor en met bibberige hand tekende ik het formulier. De man gaf me een krachtige hand een zei: ‘Veel plezier ermee meneer!’ Hij maakte rechtsomkeert naar zijn veertig tonner om meteen te vertrekken naar zijn volgende bestemming.
Ik wilde hem roepen, maar er kwam slechts een krakend geluid uit mijn keel, een dun en schril bijna geluidloos gepiep zoals je wel eens hebt in een nachtmerrie waarin je niet langer tot spreken bij machte bent en een radeloos gevoel overviel me.
De grote man keek als door God’s hand gestuurd nog één keer om en zag de staat van verregaande paniek waarin ik verkeerde. Hij leek even te aarzelen en liep toen op me toe.
‘U heet toch Johansson hè?, vroeg de sterke chauffeur, ‘B. Johansson is het toch meneer?’ en hij sprak de letter B met grote nadruk uit.
‘Ja, dat klopt’, zei ik met van bange verwachting dichtgeknepen keel, van streek geraakt als ik was door de onzekere situatie waarin ik verkeerde.
De man zei: ‘Ik heb een beetje een rare vraag en ik weet niet of u het gek vindt als ik dat zo vrijpostig vraag, maar u doet me aan iemand denken, iemand wiens blogs ik lees op internet. Mag ik u vragen of u per ongeluk Biff heet?’
Ik schrok me helemaal wezenloos. Deze grote sterke man had natuurlijk mijn aanmatigende opstelletjes onder ogen gekregen op Hyves nadat een familielid - naar ik vermoedde zijn vrouw of dochter - hem erop gewezen had, en nu wilde hij me natuurlijk in elkaar slaan omdat hij mijn stompzinnige gekrabbel zielepoterige aanstellerij vond.
Angstig geworden probeerde in natuurlijk om me terug te trekken binnen de veilige beslotenheid van mijn zompige woning, maar hij greep me stevig bij de arm en liet me niet los.
‘Je lijkt echt op die profielfoto van Biff man, ik zie het gewoon, je bent het!.’
Er kwam ineens een bovennatuurlijke kracht in me los waardoor ik me aan zijn greep wist te ontworstelen en ik liet me op mijn knieën zakken om hem aan zijn benen vast te klampen.
Ik begon te jammeren en te smeken. ‘Ik heb niks gedaan’, huilde ik, ‘ik smeek je om me niks te doen, ik smeek je ik smeek je om me niet in elkaar te slaan en door elkaar te rammelen als een oud lor, of in elkaar te trappen als een oude smerige kartonnen doos die al bijna uiteen valt door veelvuldig gebruik!’
Als een zielig hoopje ellende lag ik jammerend met gesloten ogen aan zijn voeten te wachten op mijn naderend eind, hopend dat hij er snel een einde aan zou maken en me niet eindeloos zou pijnigen, als straf voor mijn aanstootgevende aanwezigheid op aarde, nu hij geraden had wie ik was.

Er gebeurde helemaal niets, en nog een tijdje niets. Heel voorzichtig begon ik hoop te krijgen dat hij me zou laten gaan. Ik bleef zo stil mogelijk liggend en hield me voor dood, dat zou hem misschien nog in een gunstige stemming kunnen brengen.
Nog steeds gebeurde er niks en de man bleef als een reusachtige eikenboom staan waar hij was. Er vielen ineens warme druppels op mijn hoofd en ik hoorde een zacht gesnik. Ik begreep niet wat er aan de hand was, maar het leek wel of de vrachtwagenchauffeur stilletjes stond te huilen.
Heel behoedzaam keek ik op en zag dat de ogen van de man overliepen van traanvocht. Hij stond te huilen als een kind en weende bittere tranen.
‘Staat u alstublieft op meneer Johansson. Ik wil u geen kwaad doen, het tegendeel is waar. Ik wil u juist heel hartelijk bedanken!’
Het was een buitengewoon ongeloofwaardige situatie waarin ik was beland, maar ik bevond me wel degelijk in het centrum van de realiteit. Hij hielp me verlegen overeind en omhelsde me warm en liefdevol.
‘Ik heet Fred’,zei de man, ‘en ik lees al uw verhalen! Ik ben u daar met heel mijn wezen erkentelijk voor, want u bent een groot schrijver en uw verhalen hebben mijn hart geopend. Vroeger was ik een beest van een vent en ik stond wijd en zijd bekend als een slecht mens. Ik vocht en ik zoop en deed alles was God verboden heeft, maar door uw prachtige verhalen en emotionele openheid ben ik tot inkeer gekomen. Ik ben weer mens geworden omdat u door middel van uw poëtische vertellingen mijn zelfs voor mijzelf geheime en diepste gevoelens heeft blootgelegd.’
Hij begon nu nog harder te huilen waardoor ik me totaal geen houding meer wist te geven. Steeds harder en smartelijker ging de man huilen en mijn buren begonnen door spleetjes in de gordijnen naar buiten te kijken wat er aan de hand was.
‘Laten we even tegen de pallet gaan zitten rusten’, zei ik tegen Fred, ‘je moet het even laten zakken.’
En zo kwam het dat Fred en ik vrienden werden op een herfstachtige woensdagmorgen bij mij op de stoep, met onze ruggen tegen een pallet bami. Ik heb hem gevraagd om mij te tutoyeren want ik voelde me er onprettig bij dat hij tegen mij opkeek. Ik legde hem uit dat het enige waarin ik uitblink bestaat uit grenzeloze overbodigheid en dat ik de meest minderwaardige persoon ben die zich ooit op onze aardkloot heeft gemanifesteerd. Fred moest lachen en zei: ‘Heeft niemand je ooit verteld dat je eigenlijk een heel arrogant mannetje bent? Wie ben jij nou helemaal dat jij dat even zou bepalen? Wie iets dergelijks zegt stelt zichzelf ver boven alles en iedereen, want geen sterveling is in staat om jouw bewering te kunnen verifiëren.’
‘O ja’, zei Fred ook nog, ‘in het echt val je heel erg tegen, ik had je een behoorlijk stuk zieliger verwacht. Zullen we die bami nou maar eens naar binnen gaan brengen, want in je eentje ga jij dat natuurlijk nooit bolwerken!.’

Met die paar zinnen had Fred mijn wereld op zijn kop gezet en ik wist zeker dat ik weer veel had om de komende tijd over te piekeren.
Ineens ging de deur bij de buren open en mijn buurmeisje Amanda, waarvan ik wel eens heb gehoord dat iedereen haar Fluffy noemt, kwam naar buiten om te kijken wat we allemaal aan het doen waren. ‘Jezus meneer Johansson,  zei die brutale meid van hiernaast, wat een enorme berg bami! Zal ik maar even helpen met alles naar binnen brengen?’
Zelf was ik te moe om die twee te helpen met het enorme karwei, maar ze leken het goed met elkaar te kunnen vinden en brachten blik na blik binnen om elk leeg plekje in mijn huis te kunnen volstapelen met bami.
Toen ze klaar waren stonden er overal waar je keek blikken. In de gang stond een hele wand met bami en ook onder mijn bed, in de gangkast, in de keuken natuurlijk, en ook in en op alle kasten waar nog een beetje ruimte was. Mijn huis had een metamorfose ondergaan en ik hoopte maar dat Ulrine er geen problemen mee zou hebben.
Om te vieren dat het allemaal zo goed was afgelopen stelde ik voor om een blik te openen zodat we meteen ontbeten hadden en zo lepelden we met zijn drieën bijna een heel blik leeg.
Fluffy gaf me bij het vertrek een zoen op mijn wang en zei: ‘Dat was nou echt leuk om u eindelijk eens te zien meneer Johansson, ik had al veel over u gehoord en ik lees heel vaak uw blogs op Hyves.’
Ik had net de laatste flinke hap bami in mijn mond toen Fred naar zijn vrachtwagen wilde lopen. Terwijl ik begon te kauwen zei hij dat hij me voor het wegrijden nog iets wilde vertellen over de bami die ik in huis gehaald had. In de gang boog hij zich naar me toe en zei zachtjes: ‘Biff, ik wil je niet ontrieven hoor, maar wist je dat ze voor deze bami martelvlees gebruiken van varkens en kippen die geen normaal bestaan gehad hebben, en die vreselijk hebben moeten lijden in afgrijselijk kleine hokjes, met afgeknipte snaveltjes en staartjes, om ons hun vlees te kunnen schenken?’
Voordat ik antwoord had kunnen geven draaide hij zich om, want hij moest op tijd op het volgende adres zijn en hij was al wat laat. Daar stond ik met mijn bek vol bami.

[i]het werd me groot in de mond[/i]

Reageren?

Geef een reactie

Je moet inloggen om een reactie te kunnen plaatsen.

Huilend om het leven